De kleine wereld van

Jeroen Sprenger

 
 

In Memoriam Wijbrandt van Schuur (1946-2012)

Al langere tijd vroeg ik me af waarom Wijbrandt en ik zo goed met elkaar overweg konden. Waarom we elkaar steeds weer opzochten, als we elkaar lang niet hadden gezien. Echt concreet werd de uitkomst van die gedachtegang nooit. De schok van zijn onverwachte overlijden heeft het denken weer geïntensiveerd. En dwingt me – vind ik zelf – tot een zo helder mogelijk antwoord. Waarom mochten Wijbrandt en ik elkaar zo goed, terwijl we eigenlijk toch zo verschillend waren? Ik zal me tot één dimensie beperken.

Wijbrandt van Schuur (1946-2012)

Wijbrandt van Schuur (1946-2012)

Op de 5-puntsschaal van Gemakzuchtig naar IJverig scoor ik niet voorbij 2. Wijbrandts score zou ver voorbij de 4 zijn uitgekomen. Hij was ijverig, met daarachter een flinke dosis ambitie en principes.Ik wil dat met enkele voorbeelden illustreren. Ik doe het nog steeds met de voornaam die ik van mijn ouders bij de geboorte heb gekregen. Wel zo makkelijk. Heb hem ook niet ingeruild voor een koosnaam die sommigen wel eens tijdens hun jeugd wordt opgeplakt. Maar Wijbrandt heeft zijn eigen voornaam gekozen. Hij heette Henk, maar zag voor zichzelf toch een identiteit waarbij de naam van het hoorspelpersonage Wijbrandt beter bij paste. Zo heeft menigeen hem uiteindelijk ook leren kennen. En weet ook eigenlijk niet beter of zijn ouders hebben hem zo genoemd.

Een ander voorbeeld is de aanvraag om erkend te worden als gewetensbezwaarde.Ik ben gewoon zonder enig bijzondere activiteit aan de dag te leggen afgekeurd, ‘voorgoed ongeschikt’ bevonden  ‘voor alle diensten’. Maar Wijbrandt had de dienstplicht er al op zitten toen ik hem voor het eerst tegenkwam. Was bij de eerste lichting van de Vereniging van Dienstplichtig Militairen (VVDM) maar vond het desondanks nog nodig om zich als dienstweigeraar te laten erkennen. Dan hoefde hij niet meer op herhaling. Een ander zou denken ‘who cares’.  Maar zo zat Wijbrandt niet in elkaar.

Discorsi
Wijbrandt en ik kwamen elkaar eind jaren zestig tegen bij politicologie in Amsterdam, bij de redactie van Discorsi. Ik kwam rechtstreeks van de schoolbanken, gewoon ononderbroken 6 jaar HBS b, terwijl hij de avond-HBS had gedaan en er al wat arbeidzame jaren op had zitten in het Shell laboratorium in Amsterdam-Noord, aan de mond van het Noordhollandskanaal, dat toen al voor mij een magische betekenis had, en in het leger.
Onze Discorsi-tijd werd gedomineerd door de affaires-Den Hollander en –Daudt. Wijbrandt was de man van inhoud, niet zo geïnteresseerd in al het gedoe erom heen, maar op zoek naar de overeenkomsten en verschillen in de inhoudelijke opvattingen, die tot zo’n hoogoplopend conflict hadden geleid. Het was dus zijn idee om op enig moment Hans Daudt te interviewen. Wij samen op pad, met een cassetterecorder. Aan het begin van het gesprek vroegen we beleefd of we het gesprek mochten opnemen. “Oh”, bromde Daudt, “de luie journalistieke methode…” Het was voor het eerst en het laatst dat mijn gemakzucht en Wijbrandts ijver over één kam werden geschoren.
Enige tijd later tijgen we naar Leiden, naar Hans Daalder, de andere politicologische coryfee. Wijbrandt heeft zich inhoudelijk tot de tanden gewapend, ik beduidend minder. Ik heb tijdens het vraaggesprek geen woord uitgebracht., terwijl ik meestal niet op mijn mond ben gevallen. Daalder en Wijbrandt voerden het woord.Ik was volledig geïmponeerd door hun gesprek. Voor zover ik het al kon volgen, durfde ik geen vraag te stellen uit angst door de mand te vallen. Ik heb me later maar gerevancheerd door het interview uit te werken, met behulp van de band uiteraard. Aangezien de autorisatie zonder problemen is verlopen, moet ik het uiteindelijk toch wel hebben begrepen.

Eind jaren zestig, begin jaren zeventig, was ook de tijd dat je naast het studieprogramma allerlei cursussen kon volgen om met computers om te kunnen gaan. Algol, Cobol, Pascal. Wijbrandt heeft zich ook hier met veel ijver op gestort. Ik zei tegen hem: veel succes, als ik computers nodig heb, dan weet ik je wel te vinden. En zo is het ook gegaan. Wijbrandt studeerde af, ik niet. Zijn kennismaking met deze heel nieuwe wereld werd de basis voor zijn promotie, voor zijn verdere wetenschappelijke loopbaan. Ik ging de weg van de communicatie, die me op enig moment weer aan Wijbrandt deed denken. Ik werkte bij de FNV Bouwbond en met het oog op het congres van 1979  moest er een wetenschappelijk onderzoek onder de leden worden gedaan. Wat lag er meer voor de hand dan Wijbrandt daarvoor te vragen? Het onderwerp weet ik niet meer. Het was in ieder geval in de tijd van de Hollerith-kaarten, in 1978.  Op bezoek bij hem in Haren mocht ik even in zijn werkkamer kijken, waar ik mijn eerste demonstratie van telefonisch dataverkeer kreeg. De telefoonhoorn ging in een modem en na enig gepruttel werd er verbinding gemaakt en klonk er een aanhoudend geblieb, waarbij voor hem relevante gegevens die ergens bij de TH in Twente waren opgeslagen, werden overgeseind naar zijn computer. Mijn respect voor Wijbrandt werd er door dit inkijkje in deze wondere wereld alleen maar groter op.

Van de vakbondsvoorlichting kwam ik zo’n 13 jaar geleden bij de communicatie van het ministerie van Financiën terecht. En de laatste 2 jaren, oh ironie van het lot, bij de Directie Informatisering Rijk op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Nog steeds weet ik weinig van computers en ICT, ben slechts een geoefend eindgebruiker – weliswaar van het niveau Ambtenaar 2.0 en Het Nieuwe Werken - en doelgericht opdrachtgever, maar in het beheer en gebruik ervan kan ik voor de rijksoverheid nog wel van toegevoegde waarde zijn. Met mijn werk in de overheidscommunicatie en nu voor de informatisering van het Rijk kregen de gesprekken van Wijbrandt en mij ook een inhoudelijke component. Zijn literatuurkennis, zijn onderzoeksbevindingen en mijn praktijkkennis leverden boeiende gesprekken op. Ik heb er mijn voordeel mee gedaan. Wat het voor hem heeft betekend kunnen we helaas niet meer vragen. Wel weet ik dat hij voor zijn onderzoek naar politieke partijen zeer blij was met de ‘spam’ die ik als kaderlid van de PvdA kreeg en naar hem doorstuurde. “Dat was nog eens een actieve politieke partij”, oordeelde hij, “in vergelijking met bijvoorbeeld GroenLinks of zijn eigen partij D66. Daar hoorden de leden zelden iets van hun partij.”

Open mind en out-of-the-box
Met het illustreren waarin Wijbrandt en ik verschillen op de schaal van Gemakzucht naar IJver heb ik natuurlijk nog geen antwoord gegeven op de vraag waarom wij elkaar zo mochten. Alles overwegende moet het antwoord zijn dat we beiden, ondanks verschillend temperament, tot de freischwebende Intelligenz behoren. En dat we beiden veel waarde hechtten aan goede persoonlijke verhoudingen. En ook bereid zijn daar veel in te investeren.
Wijbrandt onderhield tot op het laatst contacten met tal van mensen die hij gedurende zijn leven was tegen gekomen en die voor hem op enigerlei wijze van betekenis zijn geweest. Uit het oog was bij hem zeker niet uit het hart. Ook in groter verband investeerde hij in persoonlijke contacten, in de bouw van netwerken. Als illustratie van dat laatste mag gelden ons initiatief om in 1993, 25 jaar na 1968, een reünie te organiseren van onze jaargenoten. Samen met Bert Koops en Carla Koopmans. Uiteraard was Wijbrandt ook hier weer de ijverigste van ons allen. Hij strikte sprekers als Rob Mokken en Peter Baehr, die colleges gaven over wat er in 25 jaar is veranderd op hun vakgebied.
Het succes was groot en verdient eigenlijk een herhaling. Maar dat zal zonder Wijbrandt zijn.
Het aspect van freischwebende Intelligenz wordt duidelijk in onze beleving van maatschappelijk engagement. Het is groot, we zijn zelfs overtuigd verbonden aan een politieke partij – hij D66, ik PvdA – maar we zijn in de verste verte geen geharnaste ideologen. Eigenlijk zijn we linksliberaal, met een open oog en oor, met respect voor alle stromingen in de samenleving. En met het vermogen om out-of-the-box te kunnen denken. Je zou het af kunnen doen als een vorm van beroepsdeformatie, want waar blijf je als sociaalwetenschapper of als communicatieadviseur als je niet met ‘open mind’ en ‘out-of-the-box’ de vraagstukken die je op je pad tegenkomt durft te benaderen? Maar ik denk toch ook dat je van huis uit er enige aanleg voor moet hebben. En dat had Wijbrandt in ieder geval.

Wijbrandt wordt nu al gemist. Na alle gebeurtenissen in Haren, zijn oude woonplaats, van vrijdag 21 september 2012, kwam bij mij de vraag op: wat zou Wijbrandt nu hebben gedaan? Of wat zou bij hem op komen naar aanleiding van de bestuurscrisis in Groningen enkele dagen later. Ik had graag contact met hem opgenomen om wat gedachten uit te wisselen. En ik weet het bijna zeker, hij zou aangeven - ijverig als hij ook als gepensioneerde nog zou zijn – dat hij gedachten aan het formuleren was hoe een en ander in zinvolle onderzoeksvragen te vatten. Want voor Wijbrandt hoefden de onderwerpen voor wetenschappelijk onderzoek niet van ver te komen. Ze lagen op zijn stoep. Hij zou graag hebben bijgedragen aan een gedegen antwoord op wat er allemaal aan deze situaties ten grondslag heeft gelegen. Om alle opvattingen die er nu over worden gedebiteerd stevig onder de loep te nemen om ze te bevestigen of te ontkrachten. Die uitdaging ligt nu bij zijn oud-collega’s.
Mochten zij inderdaad een dergelijk onderzoek doen, dan zou het mooi gebaar zijn als ze het aan Wijbrandt opdragen.

__________ 

Wijbrandt van Schuur werd geboren op 21 augustus 1946 te Leusden. Hij overleed op 25 juli 2012 in Californië (USA).
Het In Memoriam is een bewerking van de toespraak die ik heb gehouden tijdens de herdenkingsdienst op zaterdag 29 september 2012 te Grave.