De kleine wereld van

Jeroen Sprenger

 
 

Jacques Giele en de herwaardering van de 19 de eeuw


Boekomslag Rondom de Eerste Internationale

Boekomslag Rondom de Eerste Internationale

De 19 de eeuw wordt steeds interessanter. In 1929, in De arbeidende klasse van Nederland, citeert I.J. Brugmans een vakgenoot. ‘Er zijn zeker weinig onderdeelen van onze economische geschiedenis, van welke onze kennis zoo onbevredigend is, als het tijdperk volgende op het herstel van onze onafhankelijkheid’. In 2015 schetst de VPRO in de serie De IJzeren Eeuw een uiterst boeiend beeld van ingrijpende politieke, economische en sociale vernieuwingen. ‘Onze kennis’ is niet meer ‘zoo onbevredigend’. Eén van de historici die aan deze kanteling heeft bijgedragen is Jacques Giele (1942-2012). Een recente bundeling van enkele van zijn artikelen in Rond de Eerste Internationale brengt dat in herinnering.[i]

In zijn inleiding schetst Johan Frieswijk de entree van Giele in de wereld van de gevestigde sociaalhistorici. In 1968 is hij afgestudeerd op twee scripties, een over de hongeroproeren en de politieke agitatie van radicale journalisten en andere revolutionairen rond 1848, de ander over de Eerste Internationale in Nederland. Het bijzondere van deze studies is tweeërlei. Allereerst werpt hij daarmee een nieuwe kijk op wat er aan sociale beweging is in Nederland, voorafgaand aan de opkomst van de georganiseerde arbeidersbeweging. Tot die tijd kijken sociaalhistorici net als Henriëtte Roland Holst in Kapitaal en arbeid (1902) naar die periode: "Waarlijk, de Ned. werkman was een paria in eigen land geworden. De tijdgenooten verwonderden zich, dat duizenden vreemde­lingen een middel van bestaan vonden in een land van kronisch gebrek aan werk voor den inheemschen arbeider". Maar daarnaast boort Giele nieuwe historische bronnen aan uit de periode van onderzoek zelf, zoals politieregisters en dagbladen. Agenten van politie blijken vaste bezoekers te zijn van bijeenkomsten van radicale burgers en doen daar met naam en toenaam van aanwezigen zorgvuldig verslag van. Giele kan zo verbanden leggen tussen personen en – soms nog vluchtige – organisaties. En ook de invloed aangeven van buitenlandse leiders van de internationale arbeidersbeweging op de eerste arbeidersorganisaties in Nederland.

Die ervaring draagt Giele in de jaren zeventig over op zijn studenten aan de Universiteit van Amsterdam. Werkgroepen als Spontane stakingen bladeren maandenlang door jaargangen van het Algemeen Handelsblad op zoek naar ‘oproeren’, ‘stakingen’ of ‘strikes’, ‘bolle jijen’ en vele verwante termen die duiden op sociale woelingen. Vervolgens worden bezoeken afgelegd aan het Algemeen Rijks Archief en provinciale archieven, waar rechtstreeks toegang wordt verkregen tot de magazijnen. En zo diepen zij uit het Kabinet des Konings dossiers daarover op, soms ook van rechtszaken die zijn voortgevloeid uit die onrust, waaruit tal van tot dan toe onbekende gegevens over de betrokken arbeiders. Die zeker niet alleen uit het buitenland komen.

In ‘Rond de Eerste Internationale’ zijn negen artikelen opgenomen over de vroege Nederlandse arbeidersbeweging. Het zijn veelal journalistieke bewerkingen van bevindingen uit zijn doctoraalscripties, die later in druk toegankelijk zijn geworden.[ii] Voor de sociaalhistorici van nu is wellicht het tiende artikel over D. Hudig jr, De vakbeweging in Nederland, 1866-1878, leerzamer. Hudig is de eerste wetenschapper die – in 1904 - op de vakbeweging promoveert.  Uit zijn kritische beschouwing, die zich toespitst op Hudigs behandeling van het bronnenmateriaal, verduidelijkt Giele zijn benadering. Hij kan niet anders dan diens disclaimer onderschrijven. “De geschiedenis die volgt is in hooge mate eene uitwendige geschiedenis gebleven”. Weliswaar staan niet alle bondsarchieven voor Hudig open, maar van de nog levende vakbondspioniers maakt hij maar spaarzaam en anoniem gebruik. Bymholt’s in 1894 verschenen Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland wordt genegeerd. En wat de kranten betreft haalt hij wel sporadisch de NRC aan en negeert hij het Algemeen Handelsblad, dat verschijnt in Amsterdam, waar het allemaal gebeurt. Zoals Giele met zijn doctoraal werkgroepen later zal aantonen.

De studies van Giele en zijn studenten geven in de 70er jaren niet alleen een nieuw licht op het ontstaan van de georganiseerde arbeidersbeweging. Ze maken ook duidelijk dat die geschiedenis niet langer los gezien kan worden van wat er verder in de 19 de-eeuwse samenleving plaatsvindt. Zelf heeft Giele zich ingespannen met name de sociale gelaagdheid van de samenleving in beeld te brengen. Het is er niet van gekomen. Te vroeg heeft hij zijn pen neergelegd.

De IJzeren Eeuw laat een economisch dynamische 19 de eeuw zien. Biografieën over de koningen Willem I, II en III bieden een beter beeld op de politiek en de regering. Annejet van der Zijl schetst in haar biografie van Gerard Heineken een boeiend beeld van energieke Amsterdamse ondernemers. Het zou mooi zijn als huidige historici ter completering van het beeld van de 19 de eeuw, met behulp van digitale hulpmiddelen als Delpher, in de geest van Jacques Giele de beschikbare bronnen nog eens langs gaan. Om de sociale kant van die eeuw evenwichtiger in te kleuren.


Jeroen Sprenger

December 2016

Eerder gepubliceerd op de website Onvoltooid Verleden
Ook gepubliceerd in Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis (TVSEG), 2017, Vol. 14, nr 1


   

[i] Rondom de Eerste Internationale, artikelen van Jacques J. Giele, Kelderuitgeverij, Utrecht 2016

[ii] Jacques Giele, De pen in aanslag, over revolutionairen en oppositionele journalisten rond 1848, Amsterdam 1968

Jacques Giele, De Eerste Internationale in Nederland, SUN, Nijmegen 1973