De kleine wereld van

Jeroen Sprenger

 
 

Folia-columns

Theo van Tijn

Als ik mijzelf mag bijvallen, in al deze trieste historie, dan kan het nog alleen
maar zijn  omdat ik mij niet tot elke prijs aan het gekkenhuis ontrokken heb,
omdat ik het toch nooit met mijzelf eens kon worden dat ik alleen
de lijdende partij was, of er het meeste bij verloor omdat ik “zoveel meer waard”
zou zijn. Als het ijdelheid betekent dit achteraf te bedenken,
dan had ik toch nooit de ijdelheid mij met een dergelijke redenering te overtuigen.

E. du Perron

  

Een beschuldiging van laffe wraakzucht is niet de beste manier om mij tot enigerlei reactie aan te sporen, laat staan tot een serieuze. Een aantal minder vleiende kwalificaties liggen me voor in de mond vanwege de geringe oprechtheid – Van Tijn verwijt hem geen exemplaar te hebben doen toekomen van het nummer waarin ik een “aanval” op hem lanceer, terwijl hij geen enkele moeite heeft gedaan om Vrooland of mij een exemplaar van het Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis te sturen, waarin hij ons werkje over de aanleg van het Noord-Hollands kanaal bespreekt – en de naar terpentijn riekende toon van zijn reactie. Mijn roomse opvoeding heeft me echter geleerd dat niet “oog om oog, tand om tand”, maar “genade voor recht” stelregel moet zijn. Ik zal me daarom tot de kern van de zaak bepalen.

Ik heb de vorige maal betoogd dat de geschiedschrijving van de Nederlandse arbeidersbeweging een model volgt, dat is ontleend aan de ontwikkeling van de Britse arbeidersbeweging en dat die geschiedenis gelijk wordt gesteld aan de som van de geschiedenis van de vakverenigingen. Ik heb niet gezegd, dat de Nederlandse sociaalhistorici dit model expliciet volgen, maar het is impliciet zo in de geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging verweven, dat zonder dat de hele zaak als los zand uit elkaar zou vallen. En dan nu mijn bewijzen voor die stelling.

Sidney en Beatrice Webb schrijven in de door Henri Polak vertaalde “Geschiedenis van het Britse Vakvereenigingswezen” (1900): “Men neemt dikwijls aan, dat de scheiding van den handwerksman van het bezit der productiemiddelen, het gevolg is van de invoering der machine en het fabrieksstelsel. Indien dit het geval ware, zouden wij, van onze hypothese uitgaande, niet verwacht hebben vakvereenigingen te vinden op een vroeger tijdstip dan de fabrieken, of in industrieën, waarin machines geen verandering hadden teweeggebracht. Het feit dat de oudste blijvende combinaties van loonarbeiders in Engeland, het fabrieksstelsel een halve eeuw voorafgaan en dat zij voorkomen in geheel door handarbeid uitgeoefende bedrijven…”

In 1904 begint Hudig jr. zijn “De vakbeweging in Nederland, 1866-1878” met de woorden: “De vakbeweging in Nederland is niet geweest de onmiddellijke krachtige reflex op een krachtige economische ontwikkeling, niet de massale onweerstaanbare beweging, vanzelf opgeweld omdat de economische groei het gebood. Niet aan de ontwikkeling der grootindustrie dankt zij haar bestaan: het handwerk heeft haar zien geboren worden.” I.J. Brugmans (1923) laat het “maatschappelijk ontwaken” van de arbeidende klasse beginnen met de oprichting van vakverenigingen onder handwerkslieden en Van Tijn (1965) zegt in zijn “Twintig jaren Amsterdam”: “Het meest vatbaar voor een dergelijke geestesgesteldheid (om door georganiseerde actie lotsverbetering te bewerkstelligen, Spr) waren die groepen arbeiders, wier beroep een zekere technische en theoretische scholing, of althans grote bedrevenheid, met zich meebracht. (…) Aan hun scholing zelf ontleenden zij een zeker gevoel van eigen waarde, een ambachtelijke vaktrots”. (Aan Van Tijns uiterst aanvechtbare stelling, dat vakorganisaties ontstaan, als er sprake is van een economische opleving in het betreffende ambacht, ga ik even voorbij) Ik geloof niet dat er veel fantasie voor nodig is om de overeenkomsten in de verschillende opvattingen te zien.

Maar laten we nu eens kijken over hoeveel mensen we eigenlijk praten: rond 1850 (latere cijfers zijn me niet bekend) is nog geen twintig percent van de mannelijke beroepsbevolking als handwerksman werkzaam. De weinige fabrieken bieden nog geen vier percent van de mannelijke beroepsbevolking een bestaan. Daarnaast blijkt echter een kwart van de beroepsbevolking werkzaam te zijn als dagloner: in de bouw, in de haven, maar vooral blijken zij betrokken te zijn bij de landbouw, de verveningen, de aanleg van kanalen en spoorwegen en het droogleggen van meren.

Wat leren we hieruit? Allereerst, dat iedere opmerking over de late organisatie van fabrieksarbeiders – zoals Van Tijn die maakt – een open deur is. Vervolgens zien we, dat de sociaalhistorici in Nederland de activiteiten van organisaties onder nog geen twintig percent van de beroepsbevolking tot de arbeidersbeweging rekenen en in het geheel niet reppen over ruim een kwart van de beroepsbevolking. Als dit deel had stil gezeten, was er wat voor te zeggen geweest, maar zoals ik de vorige keer al heb gesteld en samen met Vrooland in het door Van Tijn gememoreerd werkje (gedeeltelijk) heb aangetoond, dit is niet het geval.

Ik vind dat wanneer men spreekt van “arbeidersbeweging” men zich rekenschap moet geven van alle “beweging” onder de verschillende lagen van de arbeidende klasse en niet slechts moet letten op wat aanvankelijk - Van Tijn wijst er herhaaldelijk op – uitingen zijn van lieden, voor wie het kleinburgerlijke ideaal steeds verder weg komt te liggen. Het zou een nieuw licht kunnen werpen op de latere relatie tussen het NAS en het NVV. Van Tijn cs. Moeten dan echter wel hun idealisering van het organisatie-aspect van de arbeidersbeweging opgeven. En ze moeten daar in ieder geval meer steekhoudende argumenten voor aanvoeren dan Van Tijn doet.

In mijn bespreking van ons werkje kritiseert hij de door ons geconstateerde “welbewuste lotsverbondenheid” onder poldergasten, “groter dan bij menige organisatie” door te wijzen op de veelvuldige onderlinge twisten. Als dit moet betekenen dat in formele organisaties geen onderlinge twisten voorkomen, en ze daardoor sterker zijn, zie ik me genoodzaakt – als leuteren pudding is – Van Tijn uit te roepen tot Dr. Oetker.

__________ 

  

Eerder verschenen in Folia Civitatis nr. 15, 6 december 1975